Vreemdelingen

  

  Rondreizende artiesten en ander vreemd volk

image00102

De smaakmakers van de samenleving 

De tijd waar we nu in leven is in de verste verte niet meer te vergelijken met de jaren van vlak na de tweede wereldoorlog. De hectische tijd van nu met z’n gejaagdheid, herrie en lawaai en afstandelijkheid van de mensen staat in schril contrast met de tijd van toen. Je zag en hoorde geen langsscheurende auto’s, geen radio’s die op een mooie zomermorgen knalhard door de buurt schallen. Geen oerendharde muziek op feesten en bruiloften waar de artiesten alleen zichzelf maar belangrijk vinden en het standpunt huldigen van hoe harder hoe mooier en op het eind van de avond de gasten achterlaten met minstens voor een week verdoofde trommelvliezen.    Soms is er heimwee naar die rustige tijd. Zeker er moest keihard gewerkt worden, lichamelijk erg zwaar, maar geestelijk was de mens veel minder gespannen. Men nam overal de tijd voor.Het enigste gevaar op de weg in ons dorp waren in die tijd misschien de vrachtwagens van Minne Wehkamp, een paar oude A. of T. Fordjes die gebruikt werden voor het vervoeren van turf. Ze hadden de naam, “tarzan” en “schrik der wegen”. Nog zie ik het beeld voor mij dat
image002
er een voorwiel van een van de Fords afgelopen was.Het wiel werd weer op de as geschoven en tijdens de rit liep er iemand naast die met een paal het wiel steeds een dreun verkocht als die weer gevaarlijk dicht het uiteinde van de as naderde.     Met de verbazingwekkende snelheid van misschien wel vijftig km. per uur pruttelden de Fordjes met hun lading turf over de postweg. Toen hoorde men heel vaak de uitdrukking, “de schrik der wegen kwam tarzan tegen”. In dit dorp met zijn hardwerkende mensen was een beetje afwisseling en vertier altijd zeer welkom. De mensen die de dagelijkse sleur veelal doorbraken waren de zwervers, landlopers en kistjeskerels die hun waar aan de man of vrouw probeerden te brengen. Er liep van allerlei vreemd soort volk tussen.    Men hoort nog weleens verhalen over malle Evert en andere niet helemaal bij de tijd zijnde figuren. Een die voor veel hilariteit in ons dorp zorgde was o.a. Jan de Roos.  Zanger uit overtuiging. Behangen  met allerlei medailles en bierdopjes en gekleed in een lange slipjas en de onafscheidelijke wandelstok in de hand trok hij van huis naar huis om zijn liederen van o.a. Verdi te laten horen. Jan de Roos geboren in Ureterp, woonde korte tijd in Bedum (Stedum), in Loppersum en lange tijd in de stad Groningen, waar hij regelmatig zijn vaste stek in de Heerestraat innam. De straat was zijn toneel en hij zong de fraaiste liederen van Verdi, vond hijzelf.In de stamboom van de Roos wordt hij omschreven als een boerenknecht, geboren op 23 October 1896, muzisch kunstenaar, overleden in Groningen op 13 december 1979,  83 jaar oud en begraven te Ureterp. Van ver kon men hem al horen als hij met wijdse gebaren,  grommend geschreeuw en trillende uithalen zijn zangkwaliteiten ten beste gaf. Natuurlijk werd de man vreselijk geplaagd door de opgeschoten jeugd van die tijd. Als Jan de Roos zijn lied inzette boog hij helemaal voorover, streek met zijn wandelstok horizontaal over de grond en kwam dan met veel gebrul weer overeind. De mond wijd opengesperd, blauw aanlopend boog hij dan zover mogelijk achterover tot de punten van zijn slipjas de grond raakten. Het is gebeurd dat iemand hem op dat moment met een mestvork vast aan de grond prikte. Een aardige bezigheid van die tijd was ook om te zorgen dat hij bij het begin van zijn lied met de rug naar een sloot gekeerd stond. Op het hoogtepunt van het lied, als hij helemaal achterover gebogen was, werd hem dan even een drukkertje gegeven zodat hij met zijn hele hebben en houden in de sloot terecht kwam. Als hij dan weer op de kant geklauterd was, was het niet raadzaam om dat moment af te wachten.     Hij kwam en ging altijd met de EDS bus. In de tussentijd proberend een paar centen te verdienen door ieder huis die op zijn route lag met een bezoek te “vereren”. Zijn gezang viel niet altijd in goede aarde.Kan me nog herinneren dat hij op een zaterdagmiddag bij ons voor de deur stond. Het was tegen etenstijd, dus druk, druk, druk, voor moeder  de vrouw. Jan de Roos deed de deur open en begon gelijk een keel op te zetten waar de honden geen brood van lusten.Moeder schrok zich wild van deze plotselinge inbreuk in de normale dagelijkse gang van zaken. Met een, “donder op akelige kerel, mit joen gebulk en geschreeuw hier veur de deure, maak dast weg komst.”   Diep verontwaardigd door zoveel minachting voor zijn zangkwaliteiten liep hij terug naar de weg, trok een notitieboekje uit zijn jas en schreef het adres op. Daar kwam hij dus nooit weer, zulke ondankbare mensen konden het in het vervolg wel vergeten.  Zonder ons huis nog een blik waardig te keuren vervolgde hij zijn weg. Misschien naar mensen die meer tijd hadden en zijn zangkunst beter waardeerden. Jan de Roos, was een van de laatste rondreizende minstrelen, die sinds de middeleeuwen de plaatselijke bevolking probeerden te vermaken met zang, muziek of toneel.            

Willem Arling