Varkens
      • Varkens
    • Het zwiene krammen

 

image00106

Het zwien speelde  een grote rol in het dagelijkse leven van ieder arbeiders gezin

In leven zorgde het voor veel werk, het steeds voeren van het zwien en het uitmesten van het zwienhok.

Eenmaal geslacht was het een bron voor de noodzakelijke voedingsstoffen die de mensen in hun harde bestaan nodig hadden.

 

Hij had hem van de Emmermarkt gehaald, maar voor hij tot de definitieve koop had besloten, had hij eerst nog wat rondgekeken op de paardenmarkt, bij de schapen – geiten – pluimvee, en wat verder die dagen zoal te koop werd aangeboden op de markt.

Het had hem nogal wat onderhandelen gekost voor hij het zwientje in zijn bezit kreeg waar hij zijn zinnen op gezet had. Een mooie bigge voor niet al te veel geld.

Met een tevreden gevoel en het zwientje in een kistje bij hem achter op de fiets was hij nu op weg naar de keet aan de berkenrode.

Zachtjes knorrend scharrelde het varkentje tegen de avond door het verse stro in de stal die de eerste maanden als zijn woon en verblijfplaats zou dienen.

Een paar keer per week moest de zwienepot gekookt worden.

In een grote stookpot kwamen kleine aardappeltjes, loezemelle, zuring en andere planten die voedzaam waren voor het varken.

Als het gaar was moest de zwienepot gestampt worden. Met een rond paaltje werd er net zolang in de pot gestampt tot alles een brij was.

De zoons en dochters thuis moesten, hoe klein ze ook nog waren, mee helpen met alle werk wat er te doen was.

Het zwienepot stampen viel daar ook onder.

Het was een heel apart gevoel als je met beide handen in de zwienpot zat, de aardappeltjes tussen de vingers doorrolden en je alles probeerde fijn te knijpen.

Het glidderde zo heerlijk tussen je vingers door.

Het viel onder de categorie, greimen, smeren, klaaien, wat een kind nu eenmaal graag mag doen.

Iedere morgen en avond werd er een emmer vol uitgehaald, er werd meel en water bij gedaan, doorgeroerd en bij het zwien in de trog  gegooid, die dan heerlijk smakkend aan zijn maaltijd begon, niet beseffend dat met ieder hap zijn einde dichterbij kwam.

De jongens groeiden thuis van klein af aan op met het wel en wee van de dieren.

Het wel was, als het varken zich tegoed deed aan de eenvoudige doch voedzame maaltijd.

Het wee was, als het varken wat groter werd en begon te wroeten in de stal.

Om daar een eind aan te maken werd hem een kram op de neus gezet.

De jongens stonden op hun benen te trillen van schrik toen ze in de staldeur staand hun vader, bestreens, wijdbeens, boven het zwien zagen staan.

In zijn rechterhand had hij een tang, met tussen de ronde bek een kram.

Met zijn linkerhand had hij het zwien bij de oren vast en trok z’n kop achterover.   Het zwien gierde en ging te keer als een wilde. Het sprong alle kanten op, hun vader meenemend naar alle hoeken van de stal.

Met geweld probeerde hij het beest in bedwang te houden.

De tang met de wijd opengesperde bek, met daar tussen de kram, was bijna bij zijn snuit. De vlijmscherpe punten ervan zaten nu aan weerszijden van de zachte varkensneus.

Hij knijpt toe, het zwien neemt een sprong achteruit, over de kop van het zwien beland hij languit in de zwienemest midden in de stal.

Een getier en gevloek breekt los, hij vloekt - alle duvels oet de helle,- als hij de dichtgeknepen kram, de laatste die hij nog had, nog in de tang ziet zitten.

De jongens nemen een doodse stilte in acht als hun vader hen, onder de mest, in de staldeur passeert, naar buiten gaat en vrijwel direct weer terug is met een stuk ijzerdraad in de hand.

 Hij stort zich weer op het zwien en met een snelle beweging steekt hij het stuk draad door de neus van het dier.

Met een paar slagen van de knieptange draait hij het geheel aan en knipt het dan op een paar centimeter lengte af.

Het is nu zaak, nu hun vader in zo’n moordbui is, om niet de aandacht op zichzelf te vestigen.

Ze staan doodstil, met een blik in de ogen van, we zijn er niet, we bestaan eigenlijk helemaal niet.

Als ze denken, hij is nu ver genoeg uit de buurt, en het varken tegelijkertijd tot het besef komt dat het wroeten in de stal voorgoed voorbij is, durven ze zich weer te bewegen en gaan ze weer over tot de orde van de dag.

 

Willem Arling