Stoet Anne
      • Bok van Stoet Anne

Als men de kaart van centrum-zuid en de namen van zijn bewoners bekijkt valt op dat de meesten met hun gewone naam bekend waren en niet zozeer met hun bijnaam. Het streekje begon in het centrum van het dorp en liep langs de toenmalige openbare school, richting Zwartemeer. De houten school stond ongeveer op de hoek Postweg-centrum zuid. De school bestond uit drie lokalen. Later toen het leerlingen aantal groeide werden er nog twee klaslokalen achter gebouwd.

Dat het beroep van schoolmeester toen die tijd ook niet zonder gevaar was bleek wel uit het feit dat in 1902 de toenmalige onderwijzer Beekhuis, door een leerling met een mes in zijn zitvlak werd gestoken.

De school heeft tot 1931 als zodanig dienst gedaan. Na die tijd heeft het nog jarenlang onderdak geboden aan zeven gezinnen. De laatste bewoners waren de families Schokker en Bakker. Het laatste gedeelte van het gebouw is in 1957 afgebroken.

Naast de school woonde Bouk Geert. Daarnaast woonden achtereenvolgens

: Bart Schnieders, Kras Roulf (Rolfers) Schoo Lena, Speller Bats, Dauzn-Minne(Berends) Heller Berend, Renze de Vries, Gepken Hinnuk, Geert Lubbers.

Van Geert Lubbers is bekend dat op een nacht een stel aangeschoten jongelui,
op weg naar huis, de keet van Lubbers op hun weg vonden. Ze trokken met veel lawaai dwars door de keet, om daarna hun weg gewoon te vervolgen.

Er tegenover woonde Kuhl Roulf, daarna kwam Onkel Greite, Wind Harm (Hartmann) en Stoet Anne.

Stoet Anne stond bekend als bokhouder. De bok van Stoet Anne stond al die jaren garant voor een voor een groot aantal nakomelingen bij de koe van de arbeider, de geit.

In een provinciaal dagblad van die jaren, prees Stoet Anne, Smeman was de echte naam, door middel van een grote advertentie de bijzondere kwaliteiten van zijn bok aan.

De bok werd in de loop der jaren een legende, ook minder mooie dingen werden hem aangewreven.

Als er ergens iets gebeurd was, en de schuldige was niet bekend, dan werd er gezongen: “Dat hef dei bok van Stoet Anne daon, sirre wirre wiet, sieboem”

Tekst en melodie bestaan nog steeds.

  Daar tegenover woonde Joop Borgman, dan kwam Hahnen Wilm,

(Specken).

Meester Bolhuis schrijft in zijn boek , “Aan het eind van de wereld”, over Hahen Wilm dat deze bij zomerdag een hanen mesterij had. Hij liet een groot aantal kippen broeden, zodat hij een groot aantal kuikens kreeg. Bovendien kocht hij her en der jonge hanen op.

Mevrouw Specken was het niet eens met zijn hobby, want van haar bijnaam, Hahen Engel, was zij niet zo gediend.

Maar de verdienste, als hij tegen de winter, zo’n paar honderd hanen verkocht had, maakte veel goed. Ze mocht graag schimpen op zijn hobby, maar ze was doodsbang dat hij een jaar geen hanen zou fokken, want volgens Bolhuis hield zij van allerlei dingen, maar het meeste van geld.

Willem Arling