|
De Runde – eens een rivier
De molen aan de Runde
Wat nu een gedeeltelijk gedempte sloot is was voor honderd jaar, bij tijd en wijle, een soms woest stromende rivier. Vooral in het voorjaar bereikte de rivier op sommige plaatsen wel een breedte van zo’n honderd meter. Eindelijk na een zeer strenge winter kwam het voorjaar in zicht. Men dorst zich zonder laarzen aan niet buiten wagen. Overal lagen grote plassen water, vooral daar waar men nog geen sloot naar de Runde gegraven had. De Runde, een rivier die uit het zwartemeer kwam en zich slingerend een weg gebaand had, helemaal naar de Dollard. Door de afwateringssloten die van de duitse grens naar de Runde liepen, kwam bulderend het water. De rivier echter kon al dit overvloedige water niet verwerken. De Runde steeg en steeg. Op sommige plaasen bereikte hij een breedte van zo’n honderd meter. Het veen had de vorige herfst al ‘t water als een gulzige spons opgezogen. Tot berstens toe verzadigd, had de winter het overvallenIn de ijzige greep van de winter, had het ‘t water vast gehouden. Nu de dooi ingevallen was kon het veen het niet langer houden. In overvloedige stralen liep alles op de Runde aan, door de sloten en beekjes die zich spontaan hadden gevormd. De brug over de Runde, tussen Lute en bakker Eilering, was niet meer begaanbaar, ‘t water had hem volkomen overspoeld. Tot overmaat van ramp was ‘t ook nog gaan regenen en een straffe westenwind blies het water tot aan de voet van de mole. Jan Berend Wilken, cafehouder, boer, kerkmeester, notabel van het dorp en eigenaar van de molen, stond ‘s morgens met een grimmig gezicht naar het woeste water te kijken. Hij voelde zich machteloos. Het water klotste reeds onder tegen de molen. Als het niet gauw droog werd zou hij deze prachtige molen, waar bijna iedereen zijn koren liet malen, verliezen. Dan zou iedereen weer, net als vroeger, met een zak rogge op de rug naar Rutenbrock in Duitsland moeten om het daar te laten malen. Dat mocht niet gebeuren. Hij liep naar de andere kant van de molen en keek uit over de Runde. Zijn blik gleed met het water mee, stroomafwaarts. Een honderd meter verderop zag hij de keet van Kaunn-harm staan. De keet stond vlak aan de Runde en het leek hem door het snel wassende water tot ondergang gedoemd.Hij had Kaunn-harm nog zo gewaarschuwd om zijn keet niet zo dicht bij het water te zetten. Maar, had Kaunn-harm gezegd, met een overstroming van de Runde zou het wel niet zo’n vaart lopen en hij wou nu eenmaal rustig wonen, ver van het centrum waar Jan Berend zijn kroeg had. Maar nu hij ouder werd was hij er schijnbaar anders over gaan denken, want hij had nog voor de winter inviel, op het andere eind van zijn land, aan de streek achter Jan-Berend, door zijn broer een stenen fundering laten leggen. Jan Berend zag enkele mensen druk gebarend om de keet lopen. Er kwamen nog meer mensen, worstelend tegen de regen en de wind. In tijden van nood wist men elkaar te vinden. Er werden palen onder de keet doorgeschoven. De ruggen werden gekromd. Iemand gaf een schreeuw van: “Gliek op”, en de keet was vrij van de grond. Langzaam, voetje voor voetje ging het voorwaarts. Men ploegde en baggerde door de blubber naar het nog veraf lijkende nieuwe fundament. Halverwege werd even gerust. ‘t Zweet werd van het voorhoofd gewist. Kaunn-harm keek achterom naar zijn oude woonstede. Als een klein nietig fort stonden daar de veenmuren, waartussen hij lief en leed beleefd had. Tegen de tijd dat ze de nieuwe woonstee bereikt zouden hebben, zou het woedende water veenbol voor veenbol meegenomen hebben naar de verre oneindigheid. Hij keerde zich af. Een paar korte bevelen en daar ging ‘t weer, tot men de keet op zijn nieuwe sterkere fundering liet zakken.
Willem Arling
|