boeren

Boeren – Middenstanders – Geestelijkheid

  Arbeiders

In zijn boek - Aan het eind van de wereld – verhaal uit de Drentsche Venen – beschrijft de toenmalige onderwijzer E.G.Bolhuis het wel en wee van het dorp Kerkenveen in het begin van de vorige eeuw. Met Kerkenveen bedoelde hij bargercompascuum.

Hij beschrijft daar onder andere in, het standsverschil in het dorp

Hij schrijft:  Neugel Bernhard was boos op zichzelf hij kon zich wel voor de kop slaan.

Want wat Willem Eze er zo had uitgeplapperd  was waar, hij was dol op die meid, die donderse meid.

Wat hem in haar aantrok kon hij niet verklaren.

Waren het haar ogen? Haar grote brandende ogen, waarin een uitdaging, een moedwil lag, die hem niet onverschillig kon zijn, die hem naar haar toe trok tegen zijn zin in.

Was het haar houding, haar bewegen, hij wist het niet.

Zij was niet meer uit zijn gedachten geweest, daags tijdens het werken, ’s avonds bij het naar bed gaan, zelfs in de slaap zag hij haar beeld voor zich zweven. Onweerstaanbaar was haar aantrekkingskracht, waar zij was wou hij ook zijn. Iets duivels scheen hem aan haar te binden.

Maar nu Willem Eze had rond verteld wat hij voor deze meid voelde, nu werd het ineens iets anders. Er zou op hem worden gelet.

Nee hij wilde niet meer met haar dansen. Hij zou bij haar vandaan blijven, niet meer aan haar denken.

Zij was toch geen meisje voor hem. Zij was de dochter van een veenarbeider, een veenmeid, en hij was Neugel Bernhard, waar een aardige boerderij op stond te wachten.

Nee het ging niet, het zou nooit wat kunnen worden!

 

Dit was nu een de kenmerken van bargercompascuum.

Een overwegend katholiek dorp waar iedereen zijn plaats moest weten .

Boeren bij boeren, arbeider bij arbeiders en de middenstand en geestelijkheid daar ergens tussen en boven zwevend in de hoop overal een graantje van mee te kunnen pikken.

Vooral de boeren keken nogal neer op die aarbaiders.

Arbeiders die ze nodig hadden voor het zware werk en verder nergens voor. Een boerenzoon mocht een arbeiderswicht wel aantrekkelijk vinden en er een avond mee proberen te donderjagen, maar een vaste verbintenis zat er nooit in. Daar was dat wicht toch echt te min voor. Nee, een meid die paste bij een boerenzoon werd gezocht in de eigen boerenkring. Of werd van er gehaald. Wat van ver gehaald werd was altijd aantrekkelijker.         De ouders van een arbeiders gezin moeten een avond op visite. De oudste dochter moet op de kleine kinderen passen.

Ze hoopt niet dat ze het laat maken vanavond want ze moet morgen weer vroeg op, werken bij de boer, de broodnodige centen voor het gezin verdienen.

Met veel gestommel komt er iemand de keet binnen. Het is de boerenzoon waar ze voor werkt. Hij probeert haar op alle mogelijke manieren het hof te maken.

Maar zij is daar helemaal niet van gediend. Met kwade kop vertrekt hij even later.

Wat de gevolgen voor haar zijn ervaart zij de volgende morgen.

In niet misverstaanbare woorden wordt haar duidelijk gemaakt dat ze haar biezen kan pakken en niet weer voor werk hoeft aan te kloppen.

 

Van een andere orde, maar ergens niet minder beschamend was de rangorde in de kerk.

Helemaal voor in de kerk, in de eerste banken, de boeren en middenstanders.

Daar achter, zo’n beetje in het midden de gelovigen die net geen geld genoeg hadden  om een plaats voor in de kerk te huren, maar zich ook net te goed vonden om plaats te nemen achter in de kerk waar voor een minimaal bedrag een plaats gehuurd kon worden.

Een keer per jaar werden de plaatsen in de kerk verhuurd.

Zondagsmorgens in het gebouw, nu de collink, werd er tegen elkaar opgeboden om een zo gunstig mogelijke plaats zover mogelijk naar voren te krijgen.

Een gezin van b.v. 12 personen huurde 3of 4 plaatsen. De kleine schoolgaande kinderen konden vrij zitten in de kinderbanken.

Omdat er op zondag altijd 2 kerkdiensten waren had zo’n groot gezin aan 3-4 plaatsen genoeg.

Het is bekend dat er mensen waren die op dingen moesten bezuinigen omdat ze nu eenmaal naar hun stand in de kerk wilden zitten. De plaats in de kerk was vaak ook bepalend voor het aanzien wat men verwachte te krijgen.

 Heel iets anders, wat voornamelijk met de geloofsrichting te maken had was de omgang tussen katholiek en hervormd of gereformeerd.

Wat bij de boeren gold, een vermenging van boer en arbeider, gold ook voor de katholiek en hervormde.

Ken nog het verhaal van een katholieke jongen die verkering had met een meisje die helemaal niets of hervormd was.

Omdat hij weigerde om de verkering op last van de pastoor uit maken werd hem de toegang tot de kerk ontzegd.

Vaak werd zo iemand dan ook nog eens een keer door familie met de nek aangekeken. Van een afvallige moest men niets van hebben.

 Ik denk niet dat men in de kerk beseft heeft wat voor ellende en verdriet men deze mensen toen heeft aangedaan. Het veel gepreekte liefde voor de naaste en mede mens komt dan in een heel ander daglicht te staan.

Een ander voorval wat mij nog scherp voor de geest staat is het volgende.

De eind jaren 50. De ouden van dagen zijn weer eens een keer samen met de bus op reis geweest. Het was gebruik dat het hele compas ’s avonds uitliep om de reizigers te verwelkomen. Het was altijd een ware triomftocht, ze werden als helden binnengehaald. In concertzaal Boerland konden de oudjes dan even bijkomen van alle emoties van die dag. Op een ereplaats voorin de zaal zat dan pastoor Hassink in een grote gemakkelijke stoel.

Omdat ze van alle gezindten mee konden zo’n dag was ook de dominee, ik meen, Frommelt, aanwezig. Immers mensen van zijn gemeente waren ook op reis geweest.

Terwijl pastoor Hassink met alle egards omringd werd moest de dominee genoegen nemen met een staanplaats achter in de zaal.

De tijd dat een arbeiders kind niet met een boeren kind mocht spelen licht gelukkig al en tijdje achter ons.

Een zeker standsverschil zal er wel altijd blijven. De mens zit nu eenmaal zo in elkaar dat hij graag iets meer wil zijn of lijken dan een ander. Een misplaatste ijdelheid.

Als men de geschiedenis van een dorp beschrijft kan men niet voorbij gaan aan de onderlinge omgang van mensen met elkaar.

Gelukkig leven we nu in een andere tijd. Mensen kijken niet meer zo op elkaar neer.

Men laat elkaar meer in zijn waarde.

De door mij beschreven periode was een tijd waarvoor menigeen in diepe schaamte zijn hoofd moet buigen.  

 

       Willlem Arling