|
De Domeneer van Turfland en het drankmisbruik in de venen
In zijn boek De Domeneer van Turfland beschrijft hij de indrukken die hij kreeg van ons veengebied. De Weerd, hij was nog een jongeman toen hij benoemd werd als Evangelist godsdienstonderwijzer te Klazienaveen-noord. Hij voelde zich zendeling die hier Godswoord kwam brengen. Over zijn eerste bezoek aan dit veengebied schreef hij, - Diep troffen mij de veenkoloniale toestanden. In Klazienaveen was de bijbel een totaal onbekend boek, of, indien men er al iets van wist, dan beschouwde men hem als iets geheimzinnigs, een soort toverboek, waaruit alleen ingewijden iets wijs konden worden. Ruwe spelen en drinkgewoonten waren de heersende ondeugden. Hij kwam in een streek waar het bijgeloof nog welig tierde. Heksen, spoken en duivelsgeschiedenissen werden rond verteld en werden geloofd. Veel kinderen stierven behekst en sommige oude vrouwen werden met een scheef oog aan gekeken. Hier en daar spookte het, en in de duivelbanners en belezers en bezetters had men grenzeloos vertrouwen.In de buurt woonde een oude Hannoveraan, die de bijnaam van Dokter Harm droeg, en druk werd geraadpleegd. Op de Domeneer die hem meermalen had bezocht maakte hij een gunstige indruk. Dokter Harm had een kinderlijk geloof in God en een grote kennis van de Heilige schrift. De vrees voor de duivel vond de Domeneer een merkwaardig verschijnsel in dit gebied. Sterke verhalen deden de ronde. Zoals over een oude vrouw, die roerloos, met open mond in bed lag. Op het moment dat men haar voor dood wou verklaren verdween een muis haastig in haar open mond. Het oude vrouwtje rekte zich uit en stond op. Vanaf dat moment was het zonneklaar dat het mensje in muizengedaante uit heksen ging. Het drankmisbruik in de venen trof de domeneer in het diepst van zijn ziel.Met eigen ogen zag hij de diepe ellende die er uit voort kwam. Het was onvoorstelbaar hoeveel drank er, ondanks de slechte wegen en andere verbindingen, vanuit de Schiedamse brouwerij werd aangevoerd. Wat een ellende in de gezinnen. In het ene was de man naar Duitsland om te werken , maar stuurde geen geld. In een ander gezin zat een vrouw te schreien omdat haar man voor de zoveelste keer wegens vechten en drinken in de gevangenis zat. Hoeveel kinderen lijden er niet onder. Talrijk zijn de kindergrafjes op de kerkhoven bij een veenkolonie. Domeneer de Weerd noemt als oorzaak de slechte woon en leefomstandigheden. Maar ook de verwekking van deze kinderen in niet te beschrijven toestanden. Hoeveel vaders en ook moeders, schrijft hij, zijn van alcohol doortrokken en zelf reeds afstammelingen van drinkers. Hij vervolgt, - wie schetst der vrouwen lijden, waar ze de keus hebben tussen slaag of de liefkozingen van een dronken man, hoe walgelijk ook. En de vruchten?Wie verwacht goede vruchten van bedorven zaad? Zieke, tere, krimpende wezentjes, oud bij de geboorte, waarbij de moeders waken en wenen, iets korter of langer dan zij ze droegen onder het hart, tot aan het graf, terwijl de man drinkt. De man die een passie heeft, drank; en na de drank de vrouw, en na de vrouw de roes. Ik zag, zegt hij, dat mensen elkaar over de lijkkist van een drankslachtoffer, elkaar de jeneverfles aanreikten. Zie de kindergraven, die ontijdig gedolven graven voor volwassenen. Zie de verminkten, de krankzinnigen, de geknakten. Het is het werk van de drank. Mensen die hun laatste snee brood met een hongerige zouden delen, worden vreselijk als de alcohol hen heeft overmeestert. Hij zag een jongeman , met een scheermes in de vuist, in het kanaal springen, terwijl zijn jonge vrouw radeloos aan de kant stond. Ze trokken hem eruit en pasten drie uur lang kunstmatige ademhaling toe eer de dokter verscheen. Ze hadden hem het kerkje ingedragen, waar hij dikwijls Godswoord gehoord had. Niets baatte. Ik wou, aldus de Domeneer, dat gij de vrouw en moeder bij dat lijk gezien had, de hand, die uw glas vasthoudt, zou gaan beven en misschien liet gij het dan voorgoed vallen. Pas een kwartier na de begrafenis drong het tot de vrouw door dat haar man er niet meer was. Ze schreeuwde het uit: - die verdoemde jenever En op die vloek restte de Domeneer niets anders dan de woorden te spreken waar hij ieder gebed mee afsloot, - Amen Nog zie ik hem voor mij, Domeneer de Weerd toen hij in de oorlogsjaren ’s avonds melk en eieren kwam halen voor zijn gezin. Met een eenvoudige groet betrad hij dan onze nederige woonstulp, aan het einde van de Berkenrode. Het was een rijzige, rustige kalme man. Als kinderen keken wij met een zeker ontzag en nieuwsgierigheid tegen hem op. In onze ogen was hij een soort pastoor, maar toch even anders. Op het kerkhof in Klazienaveen kan men zijn laatste rustplaats, wat half verzakt in de veengrond, nog vinden. Hij is een geworden met het gebied waarover hij zo’n prachtig boek heeft geschreven. De Domeneer van Turfland. Willem Arling |