- · Van “zwieback”, aardappelstoete en sterke kerels
Zo’n honderd jaar geleden zag onze omgeving, compascuum en de grensgebieden er natuurlijk heel anders uit.Geen goede wegen, geen goede verlichting, vaak armoede.Een sobere levensstijl waar we ons eigenlijk geen voorstelling meer van kunnen maken.Geen radio of T.V. Geen twee of drie zits bank waar men zijn vermoeide ledematen op kon uitstrekken.Geen auto of brommer om even ergens snel naar toe te gaan.
Gelukkig zijn er nog altijd mensen die de schijnbaar kleine alledaagse dingen van hun geboortestreek opschrijven.Dingen, die de geschiedenisboeken nooit zullen halen maar die later voor de liefhebber van de streekhistorie van onschatbare waarde kan zijn. De in het begin van de vorige eeuw in het Duitse Lindloh wonende amateur historicus Groniger heeft de woon en leefgewoonten van de bewoners aan beide ka nten van de grens in zijn boeken beschreven. Over de eetgewoonten van de toenmalige bewoners schrijft hij: - De maaltijden bestonden uit hoofdzakelijk uit brood en pap,pannenkoeken en aardappelen. Er werd weinig koffie gedronken. De jongelui dronken het helemaal niet. Naast de drie hoofdmaaltijden, ’s morgens, ’s middags en het avondbrood werd er niet gegeten.Vesperbrood, zo rond half vier, werd alleen in de zomer gebruikt. Stoete (witbrood) was er alleen met pasen en kerstmis, later ook met andere bijzondere gelegenheden. Hoewel boter en bier zeer goedkoop waren, werden beide niet veel gebruikt. Als men ergens op bezoek ging, en vooral voor oude mensen, werd zondags voor 2-3 stuivers (16-25 penning) zwieback, een soort beschuit, en een kwart pond blanke suiker meegebracht. Omdat er de eerste tijd niet veel geslacht werd, ging men ook met vlees en spek spaarzaam om. Had de rogge niet veel opgeleverd, dan werd er vaak aardappelstoete, haschenherm genaamd, gebakken.Dat bestond uit aardappelen en boekweitmeel, met gemalen sporgelzaad gemengd. Het moet een gezonde voeding zijn geweest want de meeste mensen waren zeer gezond en zeer sterk. Zo gingen er toen die tijd verhalen rond over sommige sterke kerels. B.Tier, genaamd de dikke smid, had bij gebrek aan een paard, de hele dag de veenploeg getrokken. De vader van Sumbernt kon met de tanden een zak rogge optillen en in een zwaai op de rug gooien. B. een latere kolonist in Altenberg, kon, in een eng biervat staand, een zak rogge van de grond tillen en op de rug slaan. B.Ameln (Pulverbernd), sprong met twee volle emmers water over een vier voet hoge staldeur. G.Lube, genaamd Fuschengert, droeg om een weddenschap drie zakken rogge 50 passen ver. De eerste sloeg hij op de schouder, dan nam hij onder ieder arm een zak rogge , en droeg ze alle drie naar een wagen, waar hij ze opgooide.De klompen waren hem erbij gebroken. Verder werd van dezelfde Lube verteld, dat hij op weg naar Emmen, zes mensen trof, die tevergeefs probeerden Een koe uit een diepe veen sloot te halen. Op de vraag of hij even wou helpen antwoordde hij: - Als de hoorns maar vast zitten - , en hij trok de koe alleen uit de sloot en op de kant. Een G.R. droeg een zak boekweit van Twist naar Meppen. Als zijn zoon, die een kleinere zak droeg, moe werd, gooide hij deze zak ook over de schouder en vervolgde zijn weg. Adelheid Ellermann, de grootmoeder van Groniger, die 90 jaar oud werd, was nog nooit ziek geweest, en had nog nooit een medicijn gebruikt. Zij, en nog andere bijna tachtigjarigen, maakten ieder zondag de 1 uur durende voettocht van Lindloh naar de kerk. Een familielid van deze Groniger heeft sinds mensenheugenis een juwelierswinkel, een Uhrmacherij, in Rutenbrock. Zodra men hun winkeltje binnenstapt voelt men zich teruggezet in de tijd. Het duurt niet lang of de oude uhrmacher zelf komt de winkel inschuifelen, nieuwsgierig luisterend naar het gesprek tussen zijn dochter en de klant. Zijn dochter wil graag direct weten, - waar men een van is -. Hoe last doe die schrievn Nadat de uhrmacher, leunend op zijn stok, een paar keer herhaald heeft dat hij bijna iedereen in Holland wel zo’n kent, zegt zijn dochter al gauw, - zal ik maar eevn een koppie koffie zetn? Een gastvrijheid die men nergens meer tegen komt.Het geheel ademt de sfeer die ik alleen nog maar ken uit mijn jeugd, als je als kind voor de toonbank stond van bakker-kruidenier Hendrik Boerland, of in het winkeltje van Bernhard Wilken, waar de tijd ook voort kroop als dikke stroop door een trechter.
Willem Arling
|