|
Gebruiken en leefwijzen uit het verleden
De huisslachter
De meeste mensen zullen als ze in een slagerij of supermarkt komen om vleeswaren te halen geen bnul hebben waar al deze losse onderdelen, om het zo maar eens te zeggen, oorspronkelijk gezeten hebben. Ze kunnen door de bomen het bos, of liever gezegd, door de karbonades het varken niet meer zien. Voor zo’n vijftig - zestig jaar geleden was dat natuurlijk heel anders. Slagerijen waren er weinig en supermarkten waren er nog toen nog helemaal niet. Ieder gezin moest voor zijn eigen vleesvoorziening zorgen. Men ging naar de Emmermarkt om een big te kopen. Er was altijd voldoende aanvoer op Emmer zwienemarkt. Met een big in een kistje achter op de fiets peddelde men dan weer richting het Compas. De veelal grote gezinnen hadden meestal meerdere varkens in het hok. Een paar keer per week werd de zwienepot gekookt. En grote gietijzeren pot, gevuld met meestal kleine aardappels, de grote at men zelf, werd in het stookhok, of als men die niet had, buiten op het vuur gezet. Er kwam van allerlei groenvoer bij in, zoals melde, loezemelle, zoals wij dat noemden. Als kind moesten wij vaak de zwienepot stampen. De inmiddels gare en afgegoten aardappels stonden dan buiten of op de dele te dampen. Met een klein rond paaltje werd dan net zo lang in de pot gestampt tot alles zo fijn mogelijk was. Iedere dag werd wat uit de grote pot gehaald, in een emmer gedaan, een paar handen vol meel erbij, wat water en de biologische maaltijd voor de varkens was klaar om door hun opgeslobberd te worden. Zo tegen oktober-november was het dikste varken aan de beurt. Het slachten van een zwien was altijd een grote gebeurtenis in een gezin. Het was zelfs zo erg, dat de toenmalige pastoor Hassink tijdens een preek in de kerk er schande van sprak. Tijdens het godsdienst onderricht op school had hij aan een van de kinderen gevraagd wat het grootste feest was.Voor zichzelf dacht hij, wat zal het kind zeggen, Kerstmis of misschien Pasen? Hij was totaal overdonderd toen het kind antwoordde: - As wie een zwien slachten ’s Morgens zo tegen een uur of vijf werd de stookpot of de wasketel vol water op het vuur of de kachel gezet.Tegen de tijd als de slachter het erf opfietste, kromstok op de rug, vlijmscherpe messen in een foudraal aan het bovenbeen, was het water kokend heet en lagen de stropakken al netjes op een rij tegen de keet. Voor ons als kleine kinderen was het altijd enorm spannend en emotioneel. Het zwien dat als het ware toch een deel van het gezin geworden was zou die avond gedeeltelijk op tafel komen als snorrebraod. De rest werd afgehakt en in het zout gezet. Meestal was het de slachter zelf die de veroordeelde uit zijn hok haalde. Door zijn werk had hij natuurlijk vaker zulke varkentjes gewassen. Als het zwien eenmaal naast de stropakken stond werd hij in een keer met man en macht op zijn zij op de stropakken getrokken. Het touw om zijn achterpoten werd strak naar achteren getrokken en het vonnis kon voltrokken worden. Wij hadden ieder jaar opnieuw dezelfde huisslachter. In mijn ogen, een grote rijzige man met een grote snor en een zeer vrolijke uitstraling. Ik kon altijd opnieuw weer vol spanning kijken naar deze man met zijn vaste rituelen, het slijpen van zijn messen en ondertussen sterke verhalen vertellend over de varkens die hij in de loop der jaren geslacht had. Meestal stond je aan de grond genageld van de spanning op het moment dat de slachter het schietmasker, het leek een klein soort vetspuit met een beugel erop, boven de ogen van het zwien plaatste. Zou hij in een keer van de wereld zijn, of zou hij alleen maar verdwaasd rond kijken. Onze slachter n.l., iedereen kende hem als Rafles uit bargeroosterveld, in het echt heette hij Veringa, gebruikte meestal twee soorten patronen. Groene, die waren niet zo duur, maar ook niet zo goed en rode patronen. Als het zwien, na een aantal keren bestookt te zijn met de groene, hem nog helder en frank en vrij aankeek, was 1 duurdere rode patroon afdoende om hem totaal buiten bewustzijn te brengen. Ondertussen rustig doorvertellend stak hij een vlijmscherp mes in de halsslagader van het zwien. Het bloed dat met kracht in de eronder gehouden emmer spoot, werd dan driftig geroerd door een van mijn broers of mijn oudste zuster. Het snelle roeren diende om het bloed niet te laten stolle n Kokend heet water werd over het zwien gegoten, waarna met man en macht met een soort omgekeerde trechters het hele zwien werd schoon gekrabt. Nadat hem nog even alle nagels waren uitgetrokken, lag hij er netjes bij om op de ladder gehangen te worden. De kromstok werd achter zijn achillespezen geschoven een touw er aan geknoopt, hij werd met man en macht opgetild en schuin tegen de keet gezet. Op het moment dat Rafles de blaas van het zwien in het gras gooide was het een grijpen en graaien, wie het eerst de blaas te pakken kreeg. De blaas opgeblazen en gedroogd was een rijk bezit, de eigenaar bepaalde vaak of er mee gevoetbald werd of niet. Soms werd het als chantagemiddel ingezet. De meestal nog volle blaas werd leeg gedrukt, aan de mond gezet en opgeblazen. Wie eenmaal een zwieneblaas heeft opgebalzen, zal de geur en smaak voor altijd in zijn onderbewustzijn hebben opgeslagen. Er over schrijven of praten is voldoende om weer de flauwe smaak te proeven en te r uiken.Als we later die morgen samen met de jongens die aan dezelfde streek woonden aan de een uur durende tocht door het veen naar school begonnen, kwamen de verhalen over het slachten los. Het ging er altijd om wie z’n zwien het dikste spek had.Wie begon te vertellen over de dikte van het door hun geslachte zwien had bij voorbaat al verloren. Hoe dichter we bij school kwamen hoe dikker werd ook het spek. Ik kan mij nog herinneren dat de jongens van Bakkes Berend (Schulte) het meestal wonnen. Als ze alle verhalen aangehoord hadden vertelden ze dat het door hun geslachte zwien meestal een laag spek op de ribben had dat de halve meter dicht benaderde. De zelfzorgzaamheid van de mensen was toen in die tijd enorm groot. Het meeste werk, het verwerken van het geslachte varken tot leverworst bloedworst metworst, het in de pekel zetten van de schenken en de zijden spek was meestal werk voor moeder de vrouw en de oudste dochters. Nog zie ik Rafles ’s avonds, onder het licht van de petroleumlamp, vervaarlijk zwaaiend met de bijl en blinkerende messen het zwien afhakken. Na een paar borreltjes kreeg hij nog meer spraakwater en werden de varkens die hij de laatste jaren geslacht had steeds groter en zwaarder. Ze namen op een zeker moment afmetingen aan die je verstand ver te boven ging. Waar is gebleven de tijd dat de mensen nog konden smullen van een eerlijk zwienepootje of oor, waarvan het kraakbeen zo heerlijk kraakte tussen je tanden. Waar is gebleven de tijd dat je eigenlijk wel wilde vechten om het dikke eind van een zwienestaart. Nog zie ik mijn moeder een grote dampende pot bonensoep van gedroogde bonendoppen op tafel zetten met daar bovenuitkijkend een halve zwienekop met 1 neusgat en een half gebit. Ja, waar is gebleven de tijd, de tijd met al zijn herinneringen, die hoe ouder men wordt, steeds dierbaarder worden
Willem Arling
|