|
Het paard dat over de veenweg reed |
|||
![]() |
|||
|
Wie van de ouderen kent niet het liedje dat we vroeger op school zongen. In de regels boven de foto was het paard een wagentje en de zon de maan. Als je dat lied luidkeels samen met je klasgenoten zong zag je in je fantasie het mooiste paard en de mooiste koets over een prachtige zandweg rijden. Heel anders dan de dagelijkse werkelijkheid was. Het wagentje was in werkelijkheid een boerenwagen waar in het voorjaar de mest mee naar het land werd gebracht en later in het seizoen de oogst mee werd binnen gehaald.Het paard was anders dan in je fantasie bij het liedje, een niet al te grote schimmel die getrouw alles vervoerde waar hij voorgespannen werd. Als ik in gedachten terug ga naar het verleden komen er beelden boven van de rol die het paard en wagen speelde in die tijd. Het mag nog in de laatste oorlogsjaren of vlak erna geweest zijn.Het paard werd voor de ladderwagen gespannen, planken werden dwars door de ladders geschoven en de zitplaatsen voor die dag waren klaar. Even later zijn we op weg. De wagenvol geladen, niet met oude wijven, maar met het jongste gedeelte van de familie Arling en Hartmann. Een dag dierentuin.Terwijl we de berkenrode uitrijden langs Veringa’s wieke op de kerk in klazienaveen-noord aan, wordt er al uit volle borst gezongen. Meike Hartmann-Veringa, een zeer vrolijke en optimistische vrouw, is de gangmaker deze dag. Het paardje draaft lustig over de veenweg, hoewel ik als kind wel mijn bedenkingen heb nu we op het eind van de tramsplitting, zoals dat toen heette, de hoge bult naar bargeroosterveld op moeten.In gedachten zie ik ons al achter de wagen, met zijn allen de wagen de bult opduwen. Maar het paard kromt zijn nek en verbeten begint hij aan de klim omhoog. Vermoedelijk put hij moed uit het uit volle borst gezongen, hou er de moed maar in en we gaan nog niet naar huis. Wat me van die dag diertuin is bijgebleven zijn, een de hele dag suf kijkende ezel waar men een ritje op kon maken en een knorrend australisch konijn. Het is herfst. Regenvlagen en harde wind teisteren het bij zomerdag zo mooie landschap aan de berkenrode. De drie veenwegen die de west en oostkant doormidden snijden zijn niet meer de harde veenpaden van hartje zomer. De vele regenbuien van de afgelopen dagen hebben ze veranderd in modderpoelen waar men alleen nog zigzaggend zijn weg kan vinden.De weg naar school is lang voor de kinderen achter uit de berkenrode. Men is toch bijna een uur onderweg voor men zich in de schoolbanken kan laat zakken voor weer een dag onderwijs.Een groepje jongens is die morgen op weg naar school. Het gesprek gaat over of iedereen de vraogen’ wel kent. De vraogen dat zijn vragen uit het cathechismusboek. Het boek dat ieder kind uit het hoofd moet kennen. Een keer per week werden ze overheurt, zoals dat heette. Vooral de avond voor het ‘overheuren zat men te zwoegen om de vragen toch vooral goed uit het hoofd te kunnen beantwoorden.De eerste vraag, waartoe zijn wij op aarde - om god te dienen en daardoor in de hemel te komen, was door iedereen nog wel te onthouden. Maar geleidelijk aan werden de vragen moeilijker. Men vreesde op een zeker moment de want klapn die een enkele schoolmeester uitdeelde, als men de vraogen’ niet kende, meer als de dreigende vergelding die van sommige passages van de cathechismus uitgingen. Zo werden er onderweg nog even de vroagen doorgenomen. Een van de jongens, we zullen hem Hendrik noemen, liep te smullen van een waterknol die hij de avond tevoren bij een rondgang langs de wildstrikken die hij gezet had, stiekem bij Bos uit het knollenveld geplukt had. Het was een lekkere ronde witte knol, veel lekkerder dan de gele knollen die sommigen ook wel verbouwden als veevoer.Ze zijn dicht bij het huis van Hinnuk Hoffard. Een grote gele aftandse hond ligt tegen de keet. Als hij de jongens ziet wil hij beginnen te blaffen maar een piepend schor geluid is het enige wat hij uit kan brengen. De jongens hebben er vreselijk veel lol om. Als de hond zich op een zeker moment stil houdt horen ze een zelfde geluid achter zich.Hendrik staat met wijdopengesperde mond en doodschrik in de ogen wild te gebaren. Een groot stuk knol is hem in de luchtpijp geschoten. Verlamd van schrik staat iedereen hem aan te kijken. Zo snel als iedereen onder deze omstandigheden kan lopen word met hendrik tussen hen in, de weg terug naar huis genomen.Hoe de raderen van zo’n kleine streekgemeenschap dan gaan draaien is mij tot op de dag van vandaag nog steeds een raadsel. Oude Koop Wilm zit gespannen voor op de boerenwagen met achter zich de naar ademsnakkende hendrik die er steeds blauwer begint uit te zien en alleen nog een angstaanjagend piepend geluid voortbrengt. Naast hem de andere jongens die met witweggetrokken gezichten angstig naar hem opkijken.De knokige handen van Koopwilm omvatten de leidsels en spoort het witte paardje steeds meer aan. Maar de weg is bar slecht en lijkt oneindig lang. Maar het is of het paard aanvoelt dat het deze keer niet gaat om een ritje dierentuin, maar om een rit op leven en dood. Met uiterste krachtsinspanning zeult hij de wagen over de veenweg. Hendrik staat op het punt te bezwijken, het naar adem snakkende geluid wordt steeds zachter.Het laatste stuk berkenrode gaat van het hoogveen naar beneden naar de Postweg. De wagen krijgt snelheid. Iedereen grijpt zich aan elkaar vast, ze worden aan alle kanten door elkaar geschud. Bijna onder aan de weg, een halve knol vliegt uit de keel van hendrik, juist op het moment dat de gealarmeerde dokter Hoenders op zijn zware motor nog maar net de naar beneden denderende wagen kan ontwijken. Het paard, tegenwoordig een soort speelgoed, vroeger een dier dat een verlengstuk was van de mens. Hij was sterker, sneller en altijd dienstbaar aan de mens. In sommige gevallen een levensredder. Een edel dier. Willem Arling
|