|
Peinzend keek de al wat bejaarde man mij aan.
- Weet je zegt hij dat hoe ouder je wordt hoe sterker je herinneringen beginnen te leven.
- Op het eind van je leven heb je als het ware een compleet boekwerk in je gedachten opgeslagen. Er hoeft maar de geringste aanleiding voor te zijn en het boek in je gedachten valt open en je kunt er in lezen.
- Afwachtend blijf ik hem aankijken.
- Ik weet nog best zegt hij hoe ik ben opgegroeid aan de veenstreek die ze in de volksmond de maatschappij noemden, maar officieel de berkenrode heette -.
- Hij moest, vertelde hij, hoe klein hij ook was, samen met zijn broers, meehelpen in en rond de keet.
- De sikken verstikken was een steeds terugkomend iets. Als veenarbeider keuterboertje, hadden zijn ouders, zoals de meeste bewoners van de berkenrode een aantal dieren. Naast een paar schapen, varkens en een enkele koe, waren dat de geiten of liever gezegd, de sikken.
- Aan een lange lijn werden ze ’s morgens naar een plek gebracht waar ze die dag voldoende te vreten zouden hebben.
- Met een ijzeren staaf, de stikke, werden ze vastgezet. Als er tijd voor was werden ze een paar keer per dag verstikt. Tegen de avond werden de sikken weer naar huis gehaald. De sikn in hoes haaln-.
- Hij had ze vaak vervloekt, deze arbeiders koeien. Zo gauw hij bij een sik in de buurt kwam ging deze al in de startblokken. Alleen met de grootste moeite kon hij de stikke dan uit de grond krijgen. Zo gauw de sikke los was zette die het op een lopen. De ijzeren stikke stoof dansend achter hem aan. Had hij de stikke eindelijk in handen, gaf de sikke weer een ruk, waardoor de ijzeren pen hem venijdig tegen de schenen sloeg.
- Omdat ze thuis zelf geen sikkebok hadden moest een van zijn oudere broers met de sikke naor de bok -.
- Als er iets interessants stond te gebeuren wou hij dat graag meemaken. Na veel gezeur en gedram mocht hij dan eindelijk mee.
- Hij had geen enkele voorstelling van wat het eigenlijk inhield. Hij wist alleen dat het een heel eind lopen was. Vanuit de berkenrode op de runde aan, en dan richting oosterdiep.
- Ze gingen op een zeker moment over een brug en toen weer richting centrum compas. Ongeveer halverwege moesten ze zijn.
- De doordringende stank van de bok wees hun de weg. De bok, een groot grauw beest dat in zijn jeugd waarschijnlijk wit was geweest, stond mistroostig te knabbelen op een bentespier naast de keet.
- Terwijl ze nog onder de indruk van het enorme beest en zijn penetrante geur langzaam op de keet aanliepen, kwam ze naar buiten. Stiene, een kleine stevige vrouw. Met een paar vermoeide ogen keek ze de beide jongens aan.
- Wie woln de sikke bie de bok hebn zegt z’n broer met ferme stem.
- Zonder iets te zeggen nam ze de sik van hem over en leidde haar naar de bok. Moeizaam beklom de bok de geit. Maar alle vruchtbare pogingen ten spijt, het lukte niet. Venijnig keek ze de jongens aan.
- - Die rot sikke holt de steert der veur geeft ze als verklaring.
- Nadat ze wat hand en spandiensten tussen bok en geit had verricht, liet de bok zich even later, niet verder geinteresseert van de sik afglijden.
- Toen ze haar handen aan haar glimmende schort had afgeveegd, keek ze weer naar de sik, die helemaal krom als in een flitsebeugel, op vermoedelijk meer stond te wachten.
- Ze zette beide handen bij de sik op de rug en drukte haar in een keer recht. Als terugkerend uit een andere wereld keek het beest haar verdwaast aan.
- Nadat ze hadden betaald gingen ze de lange weg terug naar de berkenrode.
- Toen de winter ten einde liep, zo tegen het vroege voorjaar, werden er twee geitjes geboren. Luid mekkerend en zwaaiend met hun korte staartjes, dansten ze op een morgen om hun moeder heen.
- Ze hadden nog geen idee van het lot dat een van beide te wachten stond. Het noodlot als bokje geboren te worden.
- Samen met zijn broer was hij al de hele morgen – an het roggespieren zuikn west rond de keet. Alle stokken en strospieren die ze tijdens het spelen rond de keet hadden laten slingeren moesten zaterdagsmorgens opgeruimd worden. Hun vader hield van netheid op het erf.
- Na de middag. Hij is met het sikkebokje aan het spelen. Het kleine bokje heeft zijn hart gestolen. Hij kan er heerlijk mee spelen. Hij zet het bokje bij hem op de nek. De voorpoten links de achterpoten rechts en ze stevig vasthoudend, rent hij er mee rond de keet. Terwijl het bokje aan zijn oor sabbelt vermaakt hij zich die middag uitstekend.
- Nog een keer rond de keet. Hij botst bijna tegen zijn vader aan die net de deur uitkomt.
- -Dou mie dat bokkie is even zegt hij, en pakt het met een hand bij hem van de schouders. Gao mar mit wat anders speuln en verdwijnt met het bokje naar de deel.
- Zondagmiddag, de grotere jongens en meisjes zijn net terug van de hoogmis. Het is tijd om te eten. Iedereen schikt zich aan de lange tafel.
- De grotere jongens en meisjes aan het eind van de tafel. Vader en moeder aan het begin van de tafel, bij de kookkachel. Deze indeling was zo gemaakt omdat er tijdens het eten vaak ingegrepen moest worden. Vooral bij de kleinsten, als die weer eens zaten te kibbelen..
- De moeder schold en dreigde met de sleif, met deze soeplepel werd op tijd een gevoelige tik uitgedeeld.
- De vader zei niets maar strekte zijn arm uit naar de onruststoker en kneep dan even heel fijn en gemeen in arm of oor.
- Moeder pakt de soeppot van de kachel en zet hem midden op tafel.
- Wat ze met de schuimer en sleif uit de pot tilt doet hem verstijven van schrik en ontzetting.
- Dampend en druipend, bedekt met vermicellie-slierten, die langzaam van het karkas weer terug glijden in de pot, zijn bokje, zijn trouw kameraadje.
- Een doffe schreeuw vol ellende en verdriet baant zich langzaam een weg naar boven toe.
- Rottige, rottige rotva. Waarom mijn bokje?
- Totaal overmand door verdriet zit hij te snokken aan tafel.
- De rest van de dag is hij ontroostbaar en alles gaat als in een waas aan hem voorbij.
- Het blijft een lange tijd stil, met een wat afwezige blik, alsof hij nog vertoeft in een andere wereld, kijkt hij mij tenslotte aan.
- Ja, - zegt hij, -dat was die goede oude tijd. Gelukkig bestaat ze alleen nog maar in onze herinnering.
- Willem Arling
|