Geschiedenis

De streek die nu Barger-Compascuum heet is totaan begin negentiende eeuw deel van het Bourtanger moeras. Dit is het grootste aaneengesloten moerasgebied van West-Europa en ligt deels in Nederland en deels in Duitsland. Het is onbewoond, water, moeras en veen. Een riviertje met de naam ‘De Runde’ loopt erdoorheen.

Delen van dit moerasland zijn toegankelijk en boeren van Noord- en Zuidbarge laten op de oevers van de Runde hun schapen weiden. Zij zijn eigenaar van dit deel van het moeras. Het is hun markegebied en ze gebruiken het gezamenlijk als weidegebied voor hun schapen. Dit verklaart de naam van het (latere) dorp. Compascure betekent in het Latijn gemeenschappelijk gebruikte weide. Barger-Compascuum dus: gemeenschappelijk gebruikte weide van de boeren van Noord en Zuidbarge.

Halfweg de negentiende eeuw komt er verandering. Vermogende heren kopen het Barger-Compascuum op. Ze willen het moerasland ontwateren en het veen afgraven. De opkomende industrie in Nederland heeft brandstof nodig, evenals de woonhuizen in de grote steden. Alle andere veengebieden van Nederland zijn al afgegraven. Nu is het land ten oosten van Emmen aan de beurt.

Ook verhuren ze stukken van het land aan boekweitboeren. Veel van deze eerste bewoners komen uit het naburige Eemsland. Ze zijn pioniers, katholiek, verlaten hun Duitse land en hopen in het nieuwe gebied een bestaan te kunnen vinden. Dan is het 1866, het ontstaansjaar van het dorp. Ze vestigen zich op de hogere droge boorden van De Runde. Op beide oevers van het riviertje ontstaat een langgerekte woonbuurt. Op de kruising met de Postweg bouwen ze een café met winkel, een molen, een houten kerkje met kerkhof en een schooltje. Dit is het ‘Aole Compas’, bekend om zijn nabuurschap en saamhorigheid.

Vanaf de eerste jaren na 1900 komt het vervenen echt op gang. Eerst worden de beide hoofdkanalen Verlengde Oosterdiep en Limietwegkanaal uitgegraven, tegelijkertijd ook de vele zijwijken. Veel werkvolk is nodig. Kanaalgravers en veenarbeiders, uit alle windrichtingen, gaan wonen in keten op het bovenveen of in woningen aan het kanaal. Plaats na plaats, perceel na perceel wordt het veen in brokken gestoken en gedroogd als turf per schip afgevoerd.

Duizenden mensen wonen in het gebied. Direct na de Eerste Wereldoorlog daalt de vraag naar turf. Er is grote werkloosheid en armoede. Veel veenarbeiders trekken door, op zoek naar nieuw werk. Daar waar de Postweg het Verlengde Oosterdiep kruist ontstaat, op afgegraven grond, het nieuwe centrum. In 1923 wordt een grote kerk gebouwd, in 1929 de school en in 1933 het verenigingsgebouw ‘de Collink’.

Aan het kanaal komen meerdere scholen, winkels, cafés, bakkerijen en andere neringdoeners. Het afgegraven veenland wordt ontgonnen tot dalgrond en veenkoloniale boeren vestigen zich aan het kanaal. Het zijn de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog. De woonketen op het bovenveen zijn met de vervening verdwenen en de mensen gaan wonen in de woningbouw: St Josefstraat, Stikker, Het Spaan, Meester van Den Boschstraat en Pastoor Vroomstraat. Anderen bouwen hun eigen huis aan het kanaal en in het centrum. Na 1960 komt ook de woningbouw ten oosten van het Verlengde Oosterdiep: Posthoorn, Gareel, Dissel, Haam en Koetsier, tot stand.

De mensen vinden werk in de grotere plaatsen in de buurt of verderweg. Barger-Compascuum wordt een forensendorp. Binnen een kwartier is men in Emmen, in minder tijd in Klazienaveen. Binnen vijf minuten is de auto op de oprit naar de N37, de snelweg naar het westen, naar Zwolle of naar de Duitse snelweg. Een enkeling heeft werk in het dorp, de meesten buiten het dorp: in de tuinbouw, handel, industrie, dienstverlening, onderwijs of zorg. Het verenigingsleven floreert en bruist. ‘s Avonds gonst het van levendigheid: kerk, school, muziek, carnaval, Veenpark, vrijetijdsbesteding en sport. Nabuurschap en saamhorigheid zijn gebleven.